BRIEVEN AAN MICK JAGGER - Boudewijn Büch (De Arbeiderspers, 1988)



Pim: Ik ben homo én ik ben fan van Mick Jagger. Ik moest Brieven aan Mick Jagger dus wel mooi vinden, want in dat boek worden die twee zaken op een mooie manier samengebracht. De schrijver, Boudewijn Büch, is al vanaf zijn jeugd fan van de zanger van de Rolling Stones. De zanger en diens muziek hebben enorm veel invloed gehad op het leven van de schrijver, zoals op het ontdekken van zijn seksualiteit. Homoseksualiteit speelt dan ook een belangrijke rol in het boek. Büch doet dat niet op een clichématige manier, bijvoorbeeld door de hoofdpersoon verliefd te laten worden op Jagger. Nee, het is juist de zanger tot wie de zestienjarige Boudewijn zich richt voor hulp, van wie hij antwoorden wil op vragen over zijn geaardheid. Het is een mooie manier, maar het maakt de jongen soms bijna ongeloofwaardig naïef. Dit terwijl er van alles aan gedaan werd om ervoor te zorgen dat het boek niet gelezen wordt als fictie: de brief op de voor- en achterflap van het boek, de foto op de cover, uitspraken in interviews en zo verder. Het boek werd dan ook vaak ‘autobiografisch’ genoemd. Een problematische term wanneer het Boudewijn Büch betreft: de schrijver haalde waarheid en fictie vaker door elkaar, iets wat hem niet altijd in dank werd afgenomen. Vooral de ‘leugens’ over De kleine blonde dood, het overlijden van een zoon die nooit heeft bestaan, maakten hem niet bij iedereen geliefd. Dit spel met de waarheid speelt hij ook in dit boek. Ik weet niet hoe het zit met zijn homoseksualiteit, maar wat ik wel weet is dat zijn bewondering voor Mick Jagger niet verzonnen is. Na het zien van dit interview, kan het niet anders dan dat die gevoelens echt zijn. Noem de beelden tenenkrommend of juist aandoenlijk, ze laten in ieder geval zien hoe diep bewondering voor een idool kan gaan. Net zoals dit boek dat doet.

Edward: Ik las een aantal boeken van Büch – vroeger. Maar ze waren wat weggezakt. Dat Pim Brieven aan Mick Jagger voorstelde was dus een kans om antwoord te krijgen op de vraag: bevallen zijn boeken nog altijd? Wel, hoe het met zijn overige werk zit weet ik niet, maar dit boek beviel me behoorlijk. Büch schrijft in een verzorgde stijl, er zijn geen storende spreekwoordjes en hij gaat vaardig om met opbouw en plot. Het verhaal vertelt van de jongensvriendschap die er tussen de ik-persoon en Guido bestaat (of was het liefde?), en die tragisch afgelopen is. Maar het interessantst in het boek is de adoratie die de twee jongens hebben voor Mick Jagger, de verafgoding die Büch (of nee: de ik-persoon!) ook als volwassene nog heeft, wanneer hij schrijver geworden is en Jagger zelf mag interviewen, zie daarvoor wat Pim hierboven schreef.
Interessant is wat Büch schrijft over de aard van dat fan-dom: ‘Mijn moeder, de buurvrouwen en radioreporters maakten er iets ergs van. Die vertelden dat die beatmuziek allemaal viespeukerij was, dat we met dat gestomp en getetter naar de donder gingen en dat we door dat lange haar allemaal flikkers zouden worden. Het eerste dat ik over flikkers hoorde, was dat ze lang haar droegen – later bleek dat natuurlijk helemaal niet waar te zijn – en wat dacht ik dus: dan wil ik lang haar en word ik flikker.’ En: ‘Jagger was de enige die in 1964 zong wat ik voelde. Toen vond ik poëzie, maar toen ik een beetje Engels ging verstaan, bleken zijn teksten even plat te zijn als die van het Cocktail Trio of de Heikrekels. Met één verschil: er zat dictie in, een manier van zeggen die mij goed uitkwam.’ ‘Wat blijft staan, is dat hij toevallig aansloot op de wanhoop van een puber.’ ‘Hij is een spijker, ik heb alles aan hem opgehangen.’  
Behalve dat Brieven aan Mick Jagger een plotgerichte coming-of-age-roman is, is het ook een roman waarin afgerekend wordt met een jeugd, met een adoratie, spreekt het boek over drugsgebruik en over eeuwige vermoeidheid, over roem en over identiteit. En om al die redenen kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat het een van Büchs meest geslaagde boeken was.

Reacties